zaterdag 15 december 2007, door Jean-Michel Palmier
‘Nooit hebben we de tijd van de slavenhandelaars achter ons gelaten. De mensen vertonen in het openbaar vervoer, waarin ze met statistische onverschilligheid dooreen worden gegooid, een onverdraaglijke gelaatsuitdrukking, hooghartigheid en minachting, zoals een tandeloze mond vanzelf het beeld van de dood oproept. De sfeer van pseudocommunicatie maakt eenieder tot de politieagent van zijn eigen ontmoetingen. Het vlucht- en agressieinstinct achtervolgt het droeve leger loontrekkenden die voor hun meelijwekkende omzwervingen slechts over tram en forensentrein beschikken. Dat de mensen zichzelf en de anderen in stekende schorpioenen veranderen, komt dat uiteindelijk niet doordat er niets is gebeurd en de menselijke figuren met lege blik en week brein “op mysterieuze wijze” schaduwen, schimmen van mensen zijn geworden en tot op zekere hoogte nog slechts in naam mensen zijn?’ (Raoul Vaneigem)
Een echte gemeenschap, een ware menselijke gemeenschap, dient nog gecreëerd te worden. En alles lijkt erop dat dit enkel maar kan gecreëerd worden in verzet tegen al het bestaande. De leugen, de ideologie, de moderne ontspanningsmiddelen lijken de reusachtige leegte van het leven enkel maar te maskeren, maar ze kunnen geen weerstand bieden aan de treurigheid, aan de ellende van eenieder. Zowel de straat als de stad, het café als de bioscoop, zijn kruispunten van de moderne eenzaamheid, plaatsen waar eenzamen elkaar voorbij lopen en elkaar kwetsen in de triestheid van het overleven. Wat te doen met deze ontreddering? De moderne literatuur levert een meedogenloos beeld van dit overleven. In Walging roept Sartre deze vreemde eenzamen tot leven: ‘Zij hebben hun leven voortgesleept in verdoving en halfslaap, omdat zij ongedurig waren, overijld getrouwd en hebben op goed geluk kinderen verwekt. Andere mensen hebben zij ontmoet in cafés, bij bruiloften, op begrafenissen. Van tijd tot tijd - wanneer zij tegenspoed hadden - hebben zij zich verdedigd, zonder echter te begrijpen wat hun overkwam. Alles wat zich rondom hen voltrok, is begonnen en geëindigd buiten hun gezichtskring; lange, duistere vormen, gebeurtenissen, die van verre kwamen, zijn snel langs hen heen gestreken en wanneer zij naar hen wilden kijken was alles reeds verdwenen.’
En Vaneigem schrijft: ‘Stilzwijgende berusting, verstarde glimlachen, slapheid, vernedering liggen als kruimels op zijn pad, vormen een hoop, golven bij hem binnen, verdrijven hem uit zijn verlangens en dromen, doen de illusie “samen te zijn” vervliegen. Mensen lopen naast elkaar zonder elkaar te ontmoeten. Isolement is een optelsom zonder uitkomst. De leegte maakt zich van de mensen meester naarmate de ruimte tussen hen kleiner wordt. De menigte haalt mij uit mijn ik en zelfverloochening maakt zich duizendvoudig meester van mijn lege aanwezigheid.’
Weinig afstand ligt er tussen de onverschillige menigte van de Vaneigem van The lonely crowd van David Riesman en de wereld van de cafés van Walging. Ieder leeft voor zichzelf en sterft in stilte, met zijn vernederingen, met zijn geheime rancunes, en zijn zelfverloochening. Opgezet door het kapitalisme, trachten de droomfabrieken de treurigheid van het dagelijkse leven te doen vergeten. Men verliest er zich in, maar vindt zichzelf nooi terug; de decors veranderen met dezelfde middelmatigheid, dezelfde illusies, hetzelfde klatergoud.
Wie zal de muren van de geïsoleerde doorbreken? Wie zal hem tegemoet lopen? Wie zal de hand uitsteken naar een ander gelaat? We denken aan André Breton die rozen aan onbekende voorbijwandelende vrouwen aanbood, en die samen met Aragon achter een vrouw aanliep die voortdurend achterom keek zonder iemand te verwachten. Wat moet men zeggen aan degenen die als vreemdelingen uit hun eigen bestaan verbannen zijn, ommuurd in hun eenzaamheid, en die de diffuse tekens van niet voltrokken ontmoetingen afwijzen: ‘Alle mensen zullen gezamenlijk door verdoemenis worden getroffen zolang ieder geïsoleerd mens weigert te begrijpen dat een gebaar van vrijheid, hoe zwak en onhandig ook, altijd een authentieke en toereikende persoonlijke boodschap in zich draagt.’ Niets kan overleven in deze oceaan van triestheid, in deze vreselijke koude die iedereen en alles aantast: ‘Niet de geweldige omvang van het onbevredigde verlangen maakt ons wanhopig, maar de ontluikende hartstocht die met zijn eigen leegte wordt geconfronteerd. Het onblusbare verlangen zo veel aantrekkelijke meisjes hartstochtelijk te beminnen, wordt geboren uit de beklemmende angst lief te hebben, zo bang zijn wij nooit iets anders dan objecen te zullen ontmoeten. De dageraad, als de gelieven zich losmaken uit elkaars omarming, is gelijk aan de vroege morgenuren als de revolutionairen zonder revolutie sterven. Het isolement met zijn tweeën is niet bestand tegen het isolement van allen. Het genot wordt voorlopig verbroken, de minnaars vinden zich zelf terug in de wereld, naakt, met plotseling belachelijk en krachteloos geworden gebaren. In een ongelukkige wereld is geen liefde mogelijk.’ (Raoul Vaneigem)
Alles sterft door treurigheid, door onverschilligheid, door ontmoediging. Alles slaat te pletter tegen de middelmatigheid van een leven zonder hoop, van een onpeilbare ellende. Elke dag lost op in een werveling van nietszeggende dingen, van stomme en nutteloze gebaren. Het holle welzijn van het dagelijkse leven is het positieve van de vervreemding. Wie zal de triestheid van het gebrek aan relaties en van de neutrale relaties uitdrukken? Hoe zouden nieuwe bewustzijnsvormen kunnen ontstaan als alles erop lijkt dat zelfs het ontluiken ervan tegengewerkt wordt?
***
Jean-Michel Palmier is van mening dat de noodzakelijke veranderingen zullen moeten plaatsvinden op het niveau van het dagelijkse leven, en meer bepaald in de stad en de straat. ‘Het is in de straat dat de vrijheid voor het eerst doorschemert.’ Wanneer men zich bewust wordt van de nietigheid van het overleven, van de triestheid en de treurigheid dat een vervreemd leven veroorzaakt, dan openen zich ongekende wegen. Het leven wordt een avontuur en de zombie wordt een avonturier. (‘De avonturier is eerder iemand die avonturen opzoekt dan iemand die door avonturen wordt overvallen’ - de lettristen, 1954.) Het ultieme avontuur is de constructie van situaties en de creatie van gemeenschap in verzet tegen het systeem.