dinsdag 6 november 2007, door Johny Lenaerts
Friedrich Engels: ’Wanneer men een paar dagen over het plaveisel van de hoofdstraten heeft rondgezworven, zich met moeite een weg banend door het mensengewoel en de eindeloze files wagens en karren, wanneer men de achterbuurten van de wereldstad heeft bezocht, dan pas merkt men dat deze Londenaren het beste deel van hun menszijn hebben moeten opofferen om al de wonderen van de beschaving te volbrengen waar hun stad van wemelt, dat honderd in hen sluimerende krachten ongebruikt bleven en onderdrukt werden, opdat enige weinige des te voller ontplooid en door de vereniging met die van anderen verveelvoudigd konden worden. Het straatgewoel heeft al iets stuitends, iets waartegen de menselijke natuur in opstand komt. Al die honderdduizenden mensen van alle rang en stand, die hier langs elkander voortijlen - zijn ze niet allemaal mensen, met gelijke talenten en vermogens toegerust, mensen die gelukkig wilden zijn? En mensen die het geluk op dezelfde manier en met dezelfde middelen zouden moeten trachten te vinden? Toch lopen zij langs elkaar heen en verdringen elkaar als hadden zij niets met elkaar te maken, als waren zij ieder van een heel ander ras; en zij gedragen zich alsof hun enige, stilzwijgend gesloten, afspraak is, dat ieder aan zijn kant van de straat zal blijven, om de stroom van mensen die hem tegemoetkomt, niet te hinderen, en blijkbaar komt het niet bij hen op de ander zelfs maar een blik waardig te achten. De ruwe onverschilligheid en het harteloze egoïsme dat alleen op het eigenbelang gericht is worden afstotelijker en ergerlijker, naarmate meer mensen in een beperkt gebied moeten samenleven. En hoewel wij ook weten dat dit isolement van de enkeling, deze bekrompen zelfzucht overal het grondbeginsel van onze huidige maatschappij is, treedt dit toch nergens zo schaamteloos onverhuld, zo zelfbewust te voorschijn als juist hier in het gewoel van de grote stad. Het uiteenvallen van de mensheid in monaden die elk een apart levensprincipe en een apart doel hebben, de wereld van het atoom, is hier ten top gedreven.
Vandaar dan ook dat de sociale oorlog, de oorlog van allen tegen allen, hier openlijk verklaard is. Evenals vriend Stirner zien de mensen in elkaar slechts bruikbare subjecten: ieder buit de ander uit met als resultaat dat de sterkere de zwakkere onder de voet loopt en dat de weinig sterken, dit wil zeggen de kapitalisten, alles naar zich toe trekken, terwijl de vele zwakken, de armen, nauwelijks het naakte leven gelaten wordt.
En wat voor Londen geldt, geldt ook voor Manchester, Birmingham en Leeds, het geldt voor alle grote steden.’
Zou het ook niet opgaan voor de moderne grootstad?