woensdag 22 oktober 2008, door wim merckx
Inleiding: ken je geschiedenis
Naar aanleiding van een milieu- en ontwikkelingsconferentie van de Verenigde Naties (VN) in Rio de Janeiro in 1992 werd ’Agenda 21’ opgesteld: een plan om de wereld op een ecologisch verantwoorde, economisch haalbare en sociaal rechtvaardige manier veilig te stellen voor de volgende generaties van de 21ste eeuw. Van op die conferentie werd ook het begrip duurzame ontwikkeling de wereld ingestuurd, met groot gevolg. Vandaag kunnen u en ik allerlei ‘duurzame’ producten en diensten kopen, de term werd door zowat alle maatschappelijke sectoren geadopteerd en is alom tegenwoordig: wie mee wil zijn, noemt zich vandaag duurzaam, sustainable, durable, nachhaltig, sostenible en zoveel meer. En tegelijk hebben we nog nooit zo hard onze natuurlijke omgeving vernield als vandaag.
Alle steden en gemeenten werden in Rio opgeroepen om zelf een lokale Agenda 21 op te stellen. Vlaanderen kwam er niet toe de Rio-gedachte in een decreet te gieten, maar liet wel toe dat gemeenten via hun milieu- of Noord-Zuidconvenanten een werking uitbouwden rond duurzame ontwikkeling, zoals in Leuven ook gebeurde. De voornaamste zwakten van een dergelijk Vlaamse beleid zijn ten eerste dat lokale overheden een centrale, overheersende rol krijgen in het hele proces en ten tweede dat de nadruk al te eenzijdig wordt gelelegd op hetzeij milieu, hetzij stedelijke samenwerking. In deze mag Vlaanderen voor de verandering wel eens naar Brussel kijken, waar een mooi voorbeeld wordt gesteld. Helaas blijft Brussel, een boogscheut verwijderd, een grote onbekende, ook op dit vlak.
Sinds Rio werden ook in onze contreien de poorten van de duurzame subsidiemarkt voor open verklaard: overheden en fondsen kwamen over de brug en allerlei budgetten gingen als beloftevolle hendels boven de hoofden van het georganiseerde middenveld hangen.
Van Rio naar Leuven
In 1998 was Leuven er als één van de eersten bij om in te spelen op het Vlaamse aanbod: het project Lokale Agenda 21 werd opgestart: in het begin was dat een werking binnen de stadsdiensten met de contractuele ondersteuning door een werknemer van de Bond Beter Leefmilieu. Niet veel later, in 2002, werd besloten de deur verder open te zetten en werd het Platform Lokale Agenda 21 opgericht: voortaan zouden ook verenigingen, instellingen en bedrijven kunnen aansluiten.
De werking rond de stedenband met Nakuru (Kenia) werd het vlaggenschip en het vooruitzicht op een geprofileerde Noord-Zuidwerking, was eigenlijk de echte aanleiding voor de lancering van een lokale agenda. Daarnaast vooral aandacht voor milieu via afvalpreventie, hergebruik van regenwater, acties voor spaarzamer energieverbruik etc.
Het succes was beperkt: de stedenband liep met een sisser af en de meeste organisaties bleven aan de kant staan kijken hoe de stad haar ambtenaren met een regie opdracht het veld in stuurde: niet iedereen wil zo graag geregisseerd worden.
Het Netwerk Duurzaam Leuven
Op naar 2007: het Platform wordt omgevormd tot een Netwerk (zie hier). Het lijkt een echo van vijf jaar voordien: voortaan zou er een bredere samenwerking moeten komen: meer thema’s en meer partners. De netwerkstructuur zou voor de nodige dynamiek moeten zorgen: hij zou open zijn en flexibel. Werkgroepen heten vanaf dan projectteams die zich zouden richten op concrete acties. Er zijn er momenteel vier: voor duurzame consumptie, energie, mobiliteit en een stedenband.
Er is enige hoop gesteld op dat netwerk, en we zien ook meer beweging: de werkgroep mobiliteit vult een bus met Leuvenaars voor een rit naar het Noord-Nederlandse Groningen om er hun stedelijke oplossingen voor het veralgemeende verkeersinfarct te bekijken (jammer genoeg werd geen enkele schepen bereid gevonden om mee te gaan). Ze adopteerden ook het aan bloedarmoede lijdende fietsfeest, en zetten hun pijlen volop op de autoloze zondag als moment om naar buiten te komen. Bij de werkgroep duurzame consumptie, volgens Tobback nog steeds een contradictie in de termen, werkt men naar Gents voorbeeld aan een eco-stadsplan. En voor de rest sluit men zich vooral aan bij bestaande campagnes: de week van de fair trade en van de smaak, een nationale boterhammenactie van Oxfam, een bio-ontbijt voor studenten enzovoort. De werkgroep stedenband zit in een lang proces waarbij zorgvuldig wordt onderzocht welke stad in aanmerking kan komen als een geschikte partner. De werkgroep energie besteedt heel wat tijd en middelen aan het energiezuiniger maken van de woningen van bejaarden, ze organiseerde een rondetafel over duurzame energie etc, en hoopt in de toekomst een energiebeurs en een samenaankoop van isolatie en ander materiaal te organiseren.
Strategieën
Wat zegt het netwerk over haar strategie? Drie dingen: ze wil een marktplaats zijn waar actoren elkaar vinden, ze wil ondersteuning bieden aan de projecten die aldus ontstaan, en ze wil zelf enkele projecten beheren. Het netwerk trekt de kaart van de sensibilisering in de breedte. Fijn zo, maar mag het ook iets meer zijn?
Het netwerk besluit op haar vergadering van september 08 dat nieuwe accenten wenselijk zijn: ze wil een langetermijnvisie ontwikkelen, ‘op trends inspelen’, innovatiever zijn, en andere delen van de bevolking aanspreken . Maar, en dat is hier de centrale vraag: welke strategie zal ze volgen om haar missie –sociale verandering- waar te maken? Is het netwerk niet al te netjes binnen de lijnen aan het kleuren die het bestuur en zijn diensten aangeeft en is dat geen rem op haar vrije werking en ongebonden visie en strategie. Het lijkt erop en het lijkt er ook op dat het Netwerk weinig bakens zal verzetten zolang ze niet haar eigen strategie ontwikkelt en daarvoor aansluiting zoekt bij de bevolking. Want wat ook af te leiden valt uit al de verslagen: de actieve leden van de netwerkcoördinatieploeg zijn ten eerste personeel van het middenveld, ten tweede van het hoger onderwijs en in de derde plaats gaat het om stadspersoneel. De éne UNIZO medewerker is een eenzame vertegenwoordiger van het bedrijfsleven, of je zou daar al sociale bedrijven als Velo en Wonen en Werken bij moeten gaan rekenen. Er is géén band met de talrijke adviesraden, noch met de vele wijk- en buurtcomité’s. En Leuvenaars die geen lid zijn via een organisatie zijn er al helemaal niet.
Missing links: adviesraden
Dat het dozijn stedelijke adviesraden nooit betrokken werd bij de werking van het Netwerk, of omgekeerd, betekent een versnippering van krachten, zeker op die terreinen die we tot duurzame ontwikkeling rekenen: milieu, derdewereld en andere raden die destijds onder impuls van de landelijke organisaties werden opgericht: de seniorenraad, de jeugdraad, recent de integratieraad en de raad voor toegankelijkheid. In een andere categorie zouden ook de cultuur- en OCMW-raad interessante partners kunnen zijn. En dan hadden we vroeger nog de welzijns- en emancipatieraad – beiden zijn enkele jaren geleden opgedoekt. (We laten andere grondgebonden adviesraden hier buiten beschouwing.)
Dat zijn veel raden, met ook veel vrijwilligers die een basis van vrijwilligersgroepen vertegenwoordigen. Van jeugdbewegingen, tot gezinsbonden, over lokale Noord-Zuidgroepen en organisaties van nieuwe Belgen … ze participeren in de inspraakorganen uit een vorige periode (ze werden opgericht vanaf de jaren zeventig, velen kregen een decretaal kader in de jaren ’90). Deelnemers in loondienst zitten daar ook wel tussen, maar ze zijn toch de uitzondering en dat is een belangrijk verschil met het netwerk. Een ander belangrijk verschil is de verhouding met het bestuur.
Interludium: het advies van de raden
Hun vlag dekt slecht de lading, leden van adviesraden zijn in werkelijkheid evenzeer lid voor de uitwisseling tussen organisaties en de mogelijkheid om gezamenlijke activiteiten op te zetten als voor het plezier om de stedelijke beleidsmakers te adviseren. Indien er niet een wettelijke verplichting bestaat tot het opnemen van een oordeel van een adviesraad in gemeentelijke plannen, dan zal dat meestal ook niet gebeuren. Het is ook weer extra werk en tijd voor beide partijen, en daaraan heeft iedereen een chronisch gebrek, schijnt het.
Met de jaren schuift de interesse van de raden nog weg van het beleid in de richting van eigen activiteiten. Wat we zien is dat veel raden met een eisenbundel naar de politieke partijen en kandidaten stappen bij verkiezingen, maar nadien verslapt de aandacht. We zitten in de feiten ver weg van de wens van het Vlaamse Parlement (1998) dat ‘de adviesverstrekking maximaal benut wordt om tot een grotere kwaliteit van bestuur te komen’.
In haar positie tav het bestuur hebben dit type raden alleszins wel het voordeel van de duidelijkheid vanwege hun autonome statuut waarbij ambtelijk en politiek personeel zich onthoudt bij momenten van besluitvorming. Bij de adviesraden noemen ze zich een kritische opvolger van het beleid, bij het netwerk gaat het over ‘het stimuleren van het beleid en andere partners om meer duurzaam te worden’. In al zijn vaagheid zegt dat al iets over het verschil in relatie met stad en omgeving.
Missing links 2: de wijkcomités, scholen en de privé
Wijk- en buurtcomités zijn alive and kicking in Leuven, ze organiseren feesten in het voorjaar, ze organiseren samen speelstraten aan een volume dat wonderbaarlijk stijgt, een verkeer- of fietsactie is er welhaast elke maand, in de binnenstad organiseren de wijkgroepen van de middenstand de ene braderij na de andere koopdag. Dat zijn enkele van de ware stadsdynamieken die we vandaag in Leuven zien en waar mensen in grote getallen aan meedoen, heeft het Netwerk ook aan hen iets te bieden?
Binnen de scholen beweegt ook één en ander. Vanwege de ontvangst van een Vlaamse cheque voor een actie ‘duurzaam naar school’ ter waarde van 77.000€, keurde de gemeenteraad op 20 oktober 08 een reglement goed om dit geld onder de deelnemende scholen te verdelen. Hier bestaat niet het voornemen om een Netwerk op te richten met talloze vergaderingen, maar het verdelen van de centen onder de actoren. Over een directe en transparante aanpak gesproken. Geen Netwerk met talloze vergadering en een centrale geldpot waaruit slechts mondjesmaat een stuiver wordt gelost.
En voor de grootschalige doorbraak inzake duurzaam bouwen en dito stadsdynamiek in Leuven zorgt vandaag de privé-wereld, via het nieuwbouwproject van Ertzberg genaamd Tweewaters. Dan kan je als middenveld en Netwerk jaren stimulansen geven aan het beleid om duurzame projecten te realiseren die bakens verzetten. Te merken dat er op dat vlak slechts zeer moeizaam iets beweegt, geeft minstens de indruk dat al de (vrijwillige) inspanningen slechts weinig belang kennen want weinig invloed hebben.
De strategie van de privé is trouwens te allen tijde gericht op winstmaximalisatie, dat is niet anders bij de firma Ertzberg. Wanneer zij dus een prestigieus en opmerkelijk project realiseren, willen ze geld in de plaats: om die reden draaien stadsvernieuwingsprojecten uit op het gekende effect van verdringing van de lagere inkomens uit de stedelijke woonwijken. Een project dat sterke ecologische en economische resultaten in het vooruitzicht kan stellen, kan evengoed een sociale ramp zijn. Het is precies door die drie te verbinden dat de duurzame ontwikkeling zo een sterk concept is. Door de vierde pillaar van de duurzame ontwikkeling, de participatie, uit te hollen riskeer je om naast de mensen te werken en dus vaak in het nadeel van de zwaksten.
Het Netwerk besloot om zich voortaan niet meer te richten op grote bedrijven met hun acties en stimulansen. Maar misschien moet ze er zich op richten met een andere bedoeling en bij grote projecten nagaan of een duurzaam evenwicht aanwezig is. Of ze kan zich ook richten tot bedrijven die het goede voorbeeld geven zoals Greenway, Colruyt en anderen om via hen een aanstekelijk voorbeeld te stellen.
Het NDL heeft een positief karakter, en stelt het goede voorbeeld graag voorop om via positieve stimulansen tot verandering te komen. Prima, maar het is maar één manier, een smalle strategie. Om het met een beeld te zeggen: het netwerk gebruikt voor elke klus hetzelfde gereedschap omdat er maar één soort in zijn werkkist zit. Maar een nagel vijs je niet in de muur, soms heb je een hamer nodig.
Het Netwerk als marktplaats
Is het netwerk een marktplaats. Ja, maar ééntje die zich naast de bestaande dynamieken ontwikkelt en gestuurd wordt door de stedelijke regisseurs en door de sensibiliseringscampagnes van de gevestigde organisaties.
Wat verlangt de stad -bij monde van duurzaamheidschepen Ridouani- van het Netwerk: dat ze een draagvlak creëert voor haar duurzaam beleid, een visie aanbiedt, proactief kennis kan aanbieden bij projecten, en een radarfunctie vervult (bedoeld worden dat ze kunnen inspireren en innovatie binnenbrengen).
Een fijne rol, maar wat als het advies niet ernstig wordt genomen, de radar niet wordt gevolgd, de visie afwijkt van die van het stadhuis? Dan zou het creatieve conflict een manier kunnen zijn om tot resultaat te komen, maar die cultuur ontbeert het Netwerk ten volle. Het is hun goed recht maar zijn de sociale en ecologische veranderingen die we nodig hebben, dan ineens ontlast van hun urgent karakter? Een hele generatie scholieren kreeg en krijgt beloftes over betere fietsvoorzieningen voor een verre toekomst. Te verwachten tegen wanneer ze in de aula’s van de KUL vertoeven …
Het ownership
Dat het ownership van het Netwerk bij de stad te situeren is, wordt duidelijk via een voorbeeld van een incident op de ‘Noord-Zuid markt’( we adopteren even de terminologie) Een driekoppige ploeg bezocht deze zomer het Senegalese Sédhiou, ze werden uitgezonden door het projectteam stedenband: twee mensen in dienst van de stad en iemand die het middenveld zou vertegenwoordigen. De laatste was wat ontgoocheld door vast te stellen dat het zwaartepunt van het programma wel lag bij de mogelijke relatie van stad tot stad, maar dan op het niveau van bestuur en ambtenarij. De Derdewereldraad, die volgens het decreet een advies over de voortgang in het dossier moet geven, nodigde de betrokkene uit op hun eerste vergadering na de zomerluwte voor een verslaggeving. Dat was buiten de waard gerekend en de kleine letters. De meegereisde Leuvenaar kreeg te horen dat hij zijn getuigenis over de reis pas kon geven als het verslag van de reis werd goed bevonden door het stadhuis. Was er intern nog discussie over enkele passages? Dat is niet abnormaal. En waarom zou de adviesraad daar geen reflecterend debat over mogen voeren? Consternatie ondertussen op de vergadering van de Derdewereldraad. Zoals iemand het verwoorde: “nu had ik al gewoon willen vragen, hoe was het in Senegal beste X, en dan mag dat niet”. Erger: een open debat over de resultaten van de reis in de kring van de adviesraad werd uitgesteld. Met wat geluk zal het er toch van komen, in december. Tegen dan heeft de kleine markt van het netwerk – versta het projectteam Noord-Zuid - al haar conclusie getrokken en werkt ze aan een volgende deel van haar stappenplan. En is de periode om levend over de reis te getuigen allang voorbij.
Wie beheert de kas? Het coördinatieteam van het Netwerk waakt over het goede gebruik van de centen. Helaas bestaan er geen duidelijke afspraken en ontbreekt tot vandaag een subsidiereglement. De besluiten rond besteding zijn het resultaat van afweging binnen de coördinatie. Voorstellen zijn welkom, maar de indieners wordt het niet gegund hun project zelf uit de doeken te doen. De secretarissen van de actieteams, veelal ambtenaren, doen het in hun plaats.
Zit er geld in kas? In 2007 had het netwerk een kleine 40.000 € aan inkomsten en een dikke 23.000 € aan uitgaven. Over winst maken gesproken. Het ‘Fonds Lokale Agenda 21 Leuven’ had op 1 januari 2008 meer geld in kas dan bij de start ervan in 2004 toen Freya Van Den Bossche met een duurzame cheque langskwam op de Grote Markt nummer 1. Na al die jaren is de geldpot dus aangegroeid in plaats van uitgegeven. Dat duidt op een wel heel voorzichtige omgang met de middelen. Bekijken we de uitgaven voor 2007 in detail, dan valt op dat liefst 71% besteed werd aan een actie voor senioren. De andere projecten moesten het stellen met de spreekwoordelijke peanuts. (Uit het jaarverslag Netwerk Duurzaam Leuven 2007)
TABEL
4.3. Financieel verslag
| Inkomsten 2007 | |
| Terugbetaling door Safier Studentenactie 2006 | 266,32 |
| Toelage FOD DO 2007 | 25.360,00 |
| Tapa Brava | 408,00 |
| Compbell - creditnota | 160,93 |
| Subsidie FOD volksgezondheid 7/12/’07 | 5.000,00 |
| Bijdrage stad Leuven Seniorenactie 2007 | 8.000,00 |
| Totaal in 2007 | 39.195,25 |
| Uitgaven 2007 | |
| Seniorenactie 2 2006 | 14.293,58 |
| Seniorenactie 3 2007 | 2.322,68 |
| Opstartevenement | 1.775,39 |
| Tapa Brava | 717,46 |
| Week Eerlijke handel | 921,78 |
| Diverse | 373,82 |
| Wereldfeest | 919,87 |
| Website | 2.048,53 |
| Totaal uit 2007 | 23.373,11 |
| Resultaat 31/12/2007 | 47.147,43 |
Conclusie
De stad Leuven heeft de introductie van duurzame ontwikkeling, als concept en als financieringsbron, beter ontvangen dan het middenveld. En wel omdat ze de positie van eigenaar van de nieuwe sociale dynamieken wist te verwerven via een integrale benadering waarbij intern overleg van ambtenaren en politieke bestuurders hen steeds lengte voorsprong gaf op de andere partijen rond de tafel. Het interne ambtenarenoverleg is namelijk veelvuldiger en sneller dan de trage molen van de marktplaatsen. Dat overleg staat onder supervisie van diensthoofden en schepenen en was een reactie op de vraag om vanuit verschillende beleidsdomeinen samen te werken aan duurzaamheid. In de context van het Netwerk is het ongepast om over een machtsconflict –dat er wel is, je kunt het ook belangen conflict noemen- te spreken. De verhouding tussen bestuurder en bevolking komt er in een wolk van eensgezinde vrijblijvendheid terecht en dat remt een gezonde dynamiek van woord en tegenwoord. Ook de stad zelf en haar beleid, kan wel varen bij een duidelijker erkenning van de aparte rol die middenveld en bestuur te spelen hebben.
Voor beschouwingen over strategieën voor verandering is er geen plaats en geen vraag, de krijtlijnen zijn getrokken. Op de hoofdkwartieren van de grote geprofessionaliseerde bewegingen kennen ze perfect de marges waarbinnen ze mogen ‘bewegen’: de subsidiërende instanties komen regelmatig langs om dat nog eens uit te leggen. Op het lokale vlak gebeurt hetzelfde op een andere manier. Hebben de niet-gouvernementele organisaties nog ruimte voor een eigen agenda, hebben ze überhaupt noch interesse in een eigen agenda?
Er valt in deze trouwens weinig slechts te duiden ten aanzien van stadsbestuur en al zeker niets ten aanzien van de betrokken ambtenaren. Vanuit hun functie pakken ze het prima aan en dat politieke profilering ook vruchten zijn van alle Netwerk initiatieven is een deel van het politieke spel . Het middenveld ondertussen zal je niet horen klagen, zolang er middelen zijn om hun bovenlokale projecten een Leuvense voet aan de grond te geven zouden ze gek zijn. Maar maken ze ook het verschil? De aarde kreunt als nooit tevoren en de armen waren nooit rijker in aantal. En dan mogen we in Leuven rustig in een duurzame richting schuifelen, er is meer nodig dan dat.
Uitleiding
De term ‘duurzame ontwikkeling’ is dermate flou, dat het een heel jargon aan andere woorden meebracht.‘Integraal werken’ bijvoorbeeld, wil zeggen: over de grenzen van de (beleids-)domeinen of (deel-)bewegingen samenwerken. In hun betere periode, de jaren ’90, toonden de adviesraden hoe dat kon: geen apart netwerk, maar wel een overkoepelend orgaan om gemeenschappelijke standpunten in te nemen. In die tijd bestond de Werkgroep voor Overleg van de Gemeentelijke Adviesraden (de WASO) die over een lokaaltje en zelfs tijdelijk een werknemer beschikte. In de praktijk liep het project na enkele jaren vast maar het was wel een poging om het soortelijke gewicht van de verdeelde adviesraden te verhogen. Een dergelijke aanpak zou een eerste stap kunnen zijn naar een zelfstandig statuut voor het netwerk in de vorm van een vzw of andere. Na het tijdperk van de duurzame ontwikkeling en het brede genetwerk dat we nu meemaken, komt er wel weer wat anders. We zien vandaag veel aandacht gaan naar het Engelse voorbeeld Transition Towns. Een nieuw intellectueel speeltje of het concept dat we nodig hebben om vanonderop een andere economie gestalte te geven?