donderdag 17 april 2008, door Jan Hautekiet
Wat vertelt Leuven ons nu al enkele jaren over zichzelf ? Eeuwenoud & springlevend. Niet toevallig spreek je in het plaatselijke dialect de naam van de stad bijna uit zoals je in het standaardnederlands het leven zelf benoemt. Goed bedacht, die slogan, en nog niet ver naast de werkelijkheid. Dat eerste klopt aardig, dat tweede misschien ook, maar de versmelting van de beide, daar is nog werk aan.
Laat ik met een bekentenis beginnen, eerlijk duurt het langst. Ik ben afkomstig uit hartje Brussel, heb er mijn hele jeugd gesleten, en pas op mijn 18de heb ik mijn antennes richting het academische Leuven gericht. Eerst voorzichtig, dan iets intenser, en uiteindelijk heb ik me hier genesteld, zijn mijn 3 kinderen hier groot geworden, en zijn mijn 3 kleinkinderen nu de volgende episode aan het schrijven. Hier komt de bekentenis: als mijn muzikale compaan Rick de Leeuw me tijdens onze tour aankondigt als Jan Hautekiet uit Leuven, kijk ik altijd even verbaasd op. Ik voel me nog altijd meer Brusselaar dan Leuvenaar. Maar met de jaren word ik me ook meer bewust van het culturele potentieel dat een stad als Leuven in zich draagt. Hier in deze stad zou dé, zoniet een standaard kunnen gezet worden, hier in deze stad zit een publiek samen waaraan artiesten zich redelijk informeel en niet teveel in de spotlights kunnen opladen en tonen .
Voor mij begint het discours over hoe het (opnieuw) zou kunnen worden bij een foto genomen ergens in de jaren 70 op de kasseien van de Oude Markt. Een poging om de Leuvense muziekscene in 1 beeld te vatten. Een stuk of 20, 30 toen nog jonge, levenslustige, wilde muzikanten œ velen van hen uit de geavanceerde kleinkunst en de blues en rock die die voedden œ kijken hongerig en kordaat de lens in. Net uit café De Sloef geplukt. Onder hen de evidente Big Bill, Luk Van Kessel en Boxcars, maar ook œ van ver buiten de stadsgrenzen -Kris De Bruyne, Raymond van het Groenewoud en zelfs Kris De Bruyne en Jan De Wilde willen wat graag mee op de foto.
De muzikale ontvoogding was net een feit, en de geest van vrijheid en ontdekking leefde in Leuven heel sterk. Leuven had de reputatie van een grensverleggende, rebelse, vrijdenkende stad. De revolte van 1968 zal daar beslist toe bijgedragen hebben, maar cultureel was er duidelijk ook iets blijven hangen, zowel binnen de studentenpopulatie als bij de plaatselijke bevolking. Er was een gezonde kruisbestuiving: Zeebruggeling Jean-Marie Aerts integreerde zich in de Leuvense muziekscene, en Leuvense muzikanten vonden ook aansluiting bij Brusselse en Gentse groepen.
Ik hoor u al denken: wat zegt die foto in godsnaam over hoe deze stad zijn culturele beleid moet voeren de komende jaren ? Nu misschien nog niet veel, maar het was wel symptomatisch voor het feit dat artiesten zich in die muzikaal nog redelijk gouden jaren 70 wat graag als Leuvens profileerden, zelfs al hadden ze hier geen stek. Aspirationeel, om het maar eens met een duur woord te zeggen, stond het goed als je in die tijd kon zeggen dat je deel uitmaakt van dat Leuvense muzikantencircuit. En precies dà t, die honger om ergens deel te kunnen van uitmaken, moeten we de komende jaren terugvinden. Niet geforceerd, niet volgens bepaalde voorgekauwde formules, maar door een klimaat en omgeving te scheppen waarin zowel de creator als de consument van die creaties zich geborgen en goed bij mekaar voelen.
Een tweede vaststelling: vandaag komen studenten hier zo laat mogelijk aan, en zijn lang voor het weekend begint alweer weg. Hoe sterk grijpen de tijdelijke inwijkelingen in in het stadsweefsel ? Mijn gevoel is niet veel, of toch te weinig. En als dat al gebeurt, misschien op een veel te discrete manier. Dat een meeting point par excellence als het Stuk op zaterdagavond de deuren sluit is allicht symptomatisch. Een anecdote: recent was ik in de Standonckstraat uitgenodigd op het verjaardagsfeestje van een (Italiaanse) restauranthouder daar. Het was mooi weer, en dus stond het hele gezelschap feestelijk op straat te kletsen en te klinken. De anders wat uitgebluste straat werd ineens een feestplek, de studentenhuizen aan de overkant waren grijze gesloten gevels waar geen beweging te bespeuren was.
Op het gevaar af oubollig nostalgisch te worden en te vervallen in een vroeger-was-alles-beter discours, wil ik toch nog even kort het beeld schetsen dat ik nu, meer dan 30 jaar later, van Leuven overhou. Een stad waar studenten zoniet aan de macht waren, dan toch uit het stadsbeeld niet weg te brà nden waren. Een stad met een rijke, levende en muziekvriendelijke kroegcultuur. Een stad met zalen en zaaltjes waar muziek werd gemaakt, toneel werd gespeeld, revue-avonden en fuiven werden georganiseerd. In de Alma 2 werden de tafels geregeld aan de kant gezet om er artiesten te ontvangen œ Philip Catherine, Zjef Vanuytsel,….-, en ook het Maria Theresiacollege was de plek waar ik John Cale, Kevin Coyne, Wishbone Ash, Pentangle en vele anderen leerde kennen.
Toegegeven: het was een chaotische tijd waarin regels en regeltjes over burengerucht, veiligheid en orde nog niet veel meer dan papieren illusie waren. De tijd ook dat auto‘s nog vlot en onafgebroken door de stad raasden en een wandeling over de Grote Markt nog een droom die pas enkele jaren geleden werd gerealiseerd.
Maar genoeg gezeurd over hoe het vroeger was. Wat is het al en wat zou het kunnen worden ? Leuven wordt nog altijd œ en almaar meer œ geassocieerd met onderzoek, elk jaar weer wat verder van Rome weg œ en met technologische en wetenschappelijke innovatie. Bedrijven als IMEC, en de hele bedrijvenzone die zich daarrond aan het vormen is, vormen bij manier van spreken een dagelijks visueel bewijs van het intellectuele potentieel dat zich hier verzameld heeft. Maar veel van het intellectuele kapitaal dat zich hier verzamelt is minder zichtbaar, maar daarom niet minder aanwezig. Die geestelijke en creërende kracht moet zich ook kunnen doortrekken naar het culturele domein. Typische jaren 70-fenomenen als Grasgroen en Klapstuk zetten Leuven op de kaart als een stad waar ruimte was voor sociaal en artistiek experiment, verkenning, grensverlegging.
Het verdient allicht aanbeveling het spanningsveld tussen de academische wereld en het plaatselijke sociale weefsel te onderzoeken. Hoe gaan andere steden als bvb Leiden of Bologna daarmee om ?
Als de tijd en de middelen het toestaan zou hier zeker verder onderzoek moeten rond gebeuren. Want het is een kwestie van alle sociale en competentiecircuits in hun waardigheid en identiteit te respecteren, maar met de nodige durf en technieken moet het mogelijk zijn om de som der delen veel meer te laten zijn dan de wiskundige optelsom.
De combinatie van de bevattelijke kleinheid van de stad en de grootsheid van de universiteit en al haar afdelingen en spin-offs is een godsgeschenk. Voeg daarbij nog het fenomeen van de afgestudeerden die in de stad blijven hangen, en het is duidelijk dat een slimme wisselwerking tussen al die factoren ons nog veel verder kan leiden dan we nu al geraakt zijn.
Wat is nu het DNA van Leuven ? Wat heeft Leuven in de aanbieding dat geen enkele andere Vlaamse stad heeft ? Vandaag de dag moeilijk te zeggen. Met een duur woord noemen marketeers het een USP œ de unique selling proposal. Dat hoeft niet meteen een kenmerk te zijn, dat kan een figuur zijn, een plek, een initiatief…. Het is ongetwijfeld een goede denkoefening om dat eens te vatten, te definiëren. En laat dat vooral ook een dynamisch gegeven zijn. Wat vandaag uniek is in Leuven, is dat volgend jaar misschien niet meer. Factoren als de academische wereld, de innovatie, het jonge profiel van de tijdelijke inwijkelingen en het feestelijke karakter van de stad daar een rol kunnen in spelen, dat staat buiten kijf.
Een plek als de Vaartkom, waarrond zich heelwat creatief volk aan het verzamelen is, kan mogelijk een broedplaats zijn van waaruit zich heelwat artistiek potentieel naar de rest van de stad en het gewest kan verspreiden.
Maar hoe vat je in één beeld een stad die zowel Marktrock als La Petite Bande herbergt, zowel Het Depot lanceert als de Beleuvenissen? Vandaag is het cultuurbeleid misschien al te veel gericht op voldoende participatie aan culturele evenementen, en te weinig op de artistieke kwaliteit en innovatie van die evenementen. Genoeg participatie is niet voldoende
Als ik het in enkele trefwoorden moet vatten: Leuven is jong, innovatief, slim, ondernemend, breeddenkend. En toch heeft Leuven ook een eeuwenoude geschiedenis, een gezond verstand dat niet noodzakelijk academisch is, en een blik die op de meest directe levensbehoeften gefocust is. Het hoeft geen tegenspraak te zijn, integendeel.
Kiezen is winnen Leuven als stad waar het altijd feest is. Cultuur en toerisme hebben mekaar hier al een hele tijd gevonden: Beleuvenissen, Hapje Tapje, Marktrock, de jaarmarkt, kerst-en andere markten, Wereldfeesten en andere initiatieven dragen ongetwijfeld hun steentje bij in de city marketing waar elke zichzelf respecterende stad tegenwoordig de mond over vol heeft. Mensen samen op straat krijgen: je kunt het in deze tijden van dreigende vereenzaming en isolement alleen maar toejuichen. Maar in het kader van een cultuurbeleid zit er wel een randje aan: voor vele niet-Leuvenaars is deze stad er één van Marktrock en allerhande straat-en pleinfeesten waar het feesten redelijk beperkt blijft tot het gastronomische. Mensen nestelen zich in een straat of op een plein en kunnen daar al dan niet genieten van iets wat zich een beetje verderop op een podium afspeelt. Is daar iets mis mee dan ? Nee, natuurlijk niet, maar zowel in de programmering als in de evenementiële uitwerking mis ik soms durf, visie, een statement.
Deze stad moet keuzes maken, zonder exclusieven te stellen. Met het dure woord culturele competentie kun je iedereen doodslaan, maar een beleid moet ook permanent de radar aanstaan hebben om te herkennen en ook erkennen waar de sterkhouders zitten. En laten we ons vooral niet blindstaren op participatie om de participatie. Cultuur voor en door letterlijk iedereen is een illusie. Niet iedereen moét zich in een cultureel aanbod profileren of inschrijven, maar het culturele aanbod moet wel ontsluitbaar zijn voor iedereen.
En ook het subsidiebeleid moet in staat zijn keuzes te maken en prioriteiten te stellen. Ik zetel geregeld in de adviescommissie voor sociaal-culturele projecten die om stedelijke ondersteuning verzoeken. En geregeld heb ik vragen, zowel bij het aantal ingediende dossiers, als bij de inhoudelijke kracht en creatieve invulling van de projecten.
De komende jaren maken de Museumsite, de Parkabdij en Het Depot de culturele ambitie van Leuven, zo lees ik in de beleidsnota. Leuven is klaar voor een culturele sprong voorwaarts.
Maar al deze terechte ambities hebben brandstof nodig. Deze stad heeft motoren nodig, sterke motoren. Eén straffe figuur met een nationale uitstraling zou volstaan om een hele dynamiek op gang te brengen.
De rol die op het muzikale vlak iemand als Tom Barman speelt voor Antwerpen, Arno voor Brussel en pakweg Soulwax voor Gent, die rol kan bezwaarlijk onderschat worden.
Als artiest en plek waar hij tot volle wasdom is gekomen één geheel vormen, dan is dat een statement waar niemand of niets tegen op kan.
Met een boutade zou je kunnen zeggen dat Leuven behoefte heeft aan een nieuwe Big Bill Å“ of die nu muziek maakt, schildert, toneel regisseert of mode ontwerpt maakt niet veel uit. Maar een ambassadeur, een icoon die in volle artistieke vrijheid toch model kan staan voor het stadskarakter. Of omgekeerd, waar de stad zich cultureel kan aan optrekken en op profileren.
Een liefde die van de 2 kanten moet komen, maar die ook anderen moet inspireren. Cultuur moet een way of life zijn, een manier waarop het leven in de stad zich ontspint, ontwikkelt en voedt. Een attitude waarmee zowel artiesten als publiek tegen het leven aankijken.
En als die attitude in een figuur kan belichaamd worden, dan helpt dat ongetwijfeld om het culturele profiel van de stad uit te dragen.
De kansen liggen misschien meer voor het grijpen dan we zelf beseffen, maar met wat moed en doorzicht moet zoiets lukken.
Als je ergens goed in bent, dan moet je het ook luid durven roepen. En je hoeft zeker niet te wachten op het ene om al met het andere te beginnen: met goeie, creatieve en gerichte communicatie kun je ook een imago creëren dat je nog volop aan het waarmaken bent. En daarbij hoeft u niet enkel aan het wat klef geworden begrip city marketing te denken. Wat niet betekent dat ook Leuven niet beter kan worden van een creatieve invulling van reclametechnieken.
Ik zal als geboren en eeuwige Brusselaar wel de laatste zijn om aan stemmingmakerij te gaan doen tegen onze hoofdstad, maar laten we toch niet vergeten dat Leuven het provinciebestuur van Vlaams-Brabant huisvest, een brouwersimperium van wereldniveau, een bank die zeer aanwezig is in en rond de stad. Misschien moet Leuven zich ook cultureel maar eens durven profileren als dé cultuurstad van Vlaanderen. Het moet toch perfect mogelijk zijn om een duidelijke identiteit voor Leuven te laten groeien die niet in de schaduw zit van het Brusselse cultuurleven, maar tegelijk ook respect afdwingt zowel in Brussel als de andere nabije steden Mechelen, Tienen, Diest, Aarschot…. En dan heb ik het nog niet gehad over de nabijheid van de taalgrens en een andere gemeenschap die hier 40 jaar geleden met slaande deuren vertrokken is, maar nu ongetwijfeld een verrijking zou betekenen voor een culturele identiteit. En dan zwijg ik bovendien nog over de niet onaanzienlijke internationale gemeenschap die hier tijdelijk of geregeld langskomt.
Een stad met een enorm potentieel, met een groot verloop, een grote aantrekkingskracht naar mensen uit het hele gewest, en dus een onophoudelijk revitaliseringsproces.
Een cultuurbeleid moet zich elke dag kunnen bouwen op de creativiteit die in de stad rondhangt, en al dat talent moet ook weten dat het elke dag een plek kan vinden in de stad. Die wisselwerking is essentieel, zeker als dat nog eens versterkt wordt door de assen tussen de stad en de academische wereld, jong en oud, Leuven en de rest van Vlaanderen.
Eén ding is duidelijk: Leuven staat op een kruispunt waar vele assen doorlopen, nu moet het beleid het verkeer op dat kruispunt zodanig regelen dat het bloed uit alle aderen goed doorcirculeert.
Geen sinecure, maar er zit genoeg zuurstof in en rond deze stad om deze operatie te laten lukken.