vrijdag 13 juni 2008, door Bart Caron
Hoe kan je Leuven positioneren in Vlaanderen? Bestaan daar goede gegevens over? Weinig toch. Het is niet zo makkelijk om de gepaste gegevens bij elkaar te krijgen. Daarom heb ik mij geconcentreerd op twee beschikbare gegevensbronnen. Ik heb gezocht naar de aanwezigheid van Leuven in de nationale pers en de aanwezigheid van culturele activiteiten uit Leuven in diezelfde pers. Bij dat laatste moet je natuurlijk een onderscheid maken tussen de activiteiten die een eerder lokaal bereik hebben en deze die een heel breed, tot zelfs internationaal publiek kunnen recruteren. De zwakte van een dergelijke analyse is dat ze alleen kijkt naar het aanbod, en niet naar de creatie. Het maakproces is in de kunsten, net zoals in wetenschappelijk onderzoek, of het bewaren en bestuderen van erfgoed, erg beeldbepalend voor een stad. Elke beschrijving is dus onvolkomen.
En toch durf ik niet over Leuven spreken zonder wat hard materiaal te zoeken. Leuven is immers dé Vlaamse stad van wetenschap. Alleen reflecteren over Leuven en Cultuur is een beetje te mager.
Hoe aanwezig is Leuven in de nationale pers. Ik zocht via Mediargus œ de site waar alle persartikels uit alle kranten zijn opgenomen -hoeveel keer een artistiek of een erfgoedgebeuren uit Leuven in de nationale pers komt. Dat levert waardevol materiaal op. Ik nam alle kranten van het laatste jaar door, van 13 oktober 2006 tot 12 oktober 2007. Ik beperkte me tot twee kwaliteitskranten, De Morgen en De Standaard, zonder regionale edities. Ik wilde Leuven niet alleen vergelijken met Brussel, zoals de titel van artikel zou kunnen suggereren, maar ook met een andere provinciehoofdstad, nl. Brugge, en met drie kleinere centrumsteden, nl. Turnhout, Aalst en Kortrijk, de stad waar ik zelf woon. Ik ging eerst na hoeveel keer de naam van de stad het voorbije jaar in die twee kranten voorkwam. Die vermeldingen hebben betrekking op alle mogelijke domeinen van het maatschappelijk leven, over politiek, sport, media enzovoort. Dat cijfer geeft eigenlijk wel al een eerste indicatie over de aanwezigheid van de stadsnaam in de nationale media. Daar zie je dat de provinciehoofdplaatsen ruim boven de andere centrumsteden uitstijgen, maar ver op Brussel achterop liggen. Dat laatste is natuurlijk niet verwonderlijk, omdat Brussel ook het politieke en commerciële centrum is, deels ook van Europa.
Wat de ’hits’ betreft die over kunst en cultuur gaan, zien we onderling zeer grote verschillen. De volledige resultaten staan in de tabel. De conclusies zijn duidelijk. We vertrekken van Leuven en stellen de score van Leuven gelijk met 100. Leuven en Brugge werden bijna even veel keer vermeld in beide kranten. De andere centrumsteden halen tussen 12 (Aalst) en 41 (Kortrijk). Brussel komt uit op 589, bijna het zesvoudige van Leuven. Brussel is dus het culturele hart van Vlaanderen, dat is cijfermatig in ieder geval onmiskenbaar. Deze score zien we in zowat elke culturele discipline, voor tentoonstellingen, voorstellingen, concerten of dansvoorstellingen. Het is het sterkste voor concerten en het zwakste voor dansvoorstellingen. Dat is verklaarbaar, als je ziet waar de belangrijkste concertzalen of theaterzalen gevestigd zijn.
| Aalst | Turnhout | Kortrijk | Leuven | Brussel | Brugge | |
| totaal aantal vermeldingen | 599 | 875 | 1.438 | 3.698 | 27.658 | 4.377 |
| specifieke vermeldingen: | ||||||
| -tentoonstelling | 5 | 16 | 24 | 79 | 457 | 76 |
| -voorstelling | 19 | 36 | 63 | 111 | 542 | 124 |
| -concert | 6 | 24 | 24 | 83 | 615 | 94 |
| -dansvoorstelling | 2 | 1 | 2 | 5 | 24 | 6 |
| totaal specifieke vermeldingen | 32 | 77 | 113 | 278 | 1638 | 300 |
| Aalst | Turnhout | Kortrijk | Leuven | Brussel | Brugge | |
| totaal aantal vermeldingen | 16 | 24 | 39 | 100 | 748 | 118 |
| specifieke vermeldingen: | ||||||
| -tentoonstelling | 6 | 20 | 30 | 100 | 578 | 96 |
| -voorstelling | 17 | 32 | 57 | 100 | 488 | 112 |
| -concert | 7 | 29 | 29 | 100 | 741 | 113 |
| -dansvoorstelling | 40 | 20 | 40 | 100 | 480 | 120 |
| totaal specifieke vermeldingen | 12 | 28 | 41 | 100 | 589 | 108 |
Hasselt is niet in de tabel opgenomen, maar we onderzochten die stad op enkele punten. De vergelijking is interessant omdat het ook een provinciehoofdplaats is. Hasselt scoort echter vrij laag ten opzichte van Leuven en Brugge. Er zijn slechts 1889 algemene hits, en slechts 192 culturele vermeldingen.
Daarnaast ging ik ook op zoek naar aanbodgegevens van culturele manifestaties. De bronnen zijn beperkt, maar ze laten toch toe een tabel samen te stellen die conclusies toelaat. Helaas zijn er in de Vlaamse statistieken over het aanbod geen gegevens beschikbaar over Brussel. Daarom hebben we in de tabel Antwerpen opgenomen. Op het vlak van podiumvoorstellingen scoort Leuven hoog! Er zijn 8,7 voorstellingen per jaar per 1.000 inwoners. Dat is nog niet het niveau van Antwerpen (12), maar hoger dan de andere steden. Voor concerten (alle genres) zien we dat Leuven het hoogst uitkomt van alle Vlaamse steden. Er zijn 5 concerten per 1.000 inwoners, meer dan Antwerpen en veel meer dan Kortrijk of Turnhout. Voor tentoonstellingen is de tendens dan weer opgekeerd. Daar domineren de kunststeden Brugge en Antwerpen. Dat is gezien hun infrastructuur, en de aanwezige actoren niet vreemd. Tenslotte zijn we het aantal uitleningen (per inwoner) van de openbare bibliotheek gaan nakijken. Daar staat Leuven aan de Vlaamse top, toch van de steden die hier in de tabel staan. Het heeft 12,5 uitleningen per jaar per inwoner. Leuven scoort dus verre van slecht op het vlak van het aanbod. Het gaat hier immers over relatieve cijfers, nl. volgens het aantal inwoners. In absolute cijfers steken de grote steden nog steeds met kop en schouders boven de centrumsteden uit.
| Aalst | Turnhout | Kortrijk | Leuven | Antwerpen | Brugge | |
| podiumvoorstell. per 1000 inwoners 2004 | 2,4 | 8,8 | 6,1 | 8,7 | 12 | 6,5 |
| muziekvoorstell. per 1000 inw. 2004 | 1 | 2,7 | 3,1 | 5,3 | 4,8 | 4,3 |
| tentoonstellingen per 1000 inw. 2004 | 0,7 | 1 | 0,6 | 0,6 | 1,3 | 1,4 |
| aantal uitleningen (bibliotheek) per inwoner 2005 | 7,2 | 12,3 | 12,6 | 12,5 | 7,7 | 9,2 |
Uit de harde gegevens kunnen we toch concluderen dat Leuven als centrumstad ver boven de kleine centrumsteden uitstijgt. Steden als Aalst, Kortrijk of Turnhout zijn minder prominent aanwezig in de tabellen. Leuven staat zowat op hetzelfde niveau als Brugge. Brugge is eveneens een provinciehoofdplaats, maar is evenzo een historische stad, met veel bouwkundig erfgoed dat bepalend is voor het profiel van de stad.
Een vergelijking met grote steden valt echter altijd in hun voordeel uit. Qua vermeldingen in de landelijke pers domineert Brussel sterk.
Een en ander heeft in Leuven de voorbije jaren enige frustratie doen opborrelen. Je hoort die frustratie vaak weerklinken uit de mond van de burgemeester van de stad. Hij viseert daarbij twee al dan niet denkbeeldige vijanden. Vijandbeelden werken altijd. Zoek er een die voor iedereen geldt en je kan je publiek rond je scharen. In de politiek is het een vaak beproefde techniek. In internationale conflicten is het legio. Het Leuvense vijandbeeld is tweeledig: er is enerzijds Brussel en anderzijds de centrale overheid. Brussel krijgt volgens Louis Tobback onredelijk veel middelen van de centrale overheden, vooral van de Vlaamse overheid, onredelijk in verhouding tot de centrumsteden en zeker in verhouding tot de provinciehoofdplaatsen zoals Leuven, Brugge en Hasselt. Hij is ervan overtuigd dat de problematiek van de Vlamingen in Brussel dat erg in de hand werkt. De Vlamingen die er sterk in de minderheid verkeren, slagen er in om, met die minderheidspositie als argument, extra veel veel middelen binnen te rijven voor cultuurhuizen, welzijnsvoorzieningen, onderwijs enz. Of dat feitelijk waar is, is eigenlijk niet zo belangrijk. De echte vraag is of Leuven eerlijk bedeeld wordt. Het antwoord daarop is gebed in het tweede element.
De burgemeester, zoals alle burgemeesters van centrumsteden, meent dat de centrale overheden de centrumsteden betuttelen. Het doelt daarbij voornamelijk op de Vlaamse overheid, omdat die verantwoordelijk is voor het toezicht op de steden en gemeenten en vooral voor de geldstromen naar het lokale niveau. De steden staan dan wel niet onder curatele van Vlaanderen, maar Jozef II is inderdaad nog niet helemaal uit Vlaanderen verdwenen. Er is inderdaad een belangrijke mate van bemoeienis. Die perkt de feitelijke beleidsruimte van de steden behoorlijk in. In het Vlaamse cultuurbeleid is er een waslijst van decreten die op vrij gedetailleerde wijze voorschriften opleggen in ruil voor een niet eens zo rijk bedeelde geldstroom. Merkwaardig genoeg is dat vooral gebeurd op vraag van het cultureel veld zelf. Dat veld zat namelijk decennia lang zelf in een marginale positie ten opzichte van andere domeinen zoals openbare werken, afval enz., zeker bij lokale besturen. Het cultuurbeleid heeft zich in de loop van de voorbije 30 jaar stapje voor stapje geëmancipeerd en heeft ondertussen een vrij sterke plaats verworven. Die stapjes werden vaak gezet met of liever dankzij Vlaamse regelgeving. Die decreten waren de tools van lokale schepen en cultuurwerkers om hun collega’s te overtuigen in dit nieuwe project te stappen. Die stappen zijn gezet en de effecten blijven niet uit. Er is gelukkig geen weg terug. Helaas zijn de culturele werkers vandaag nog steeds de eerste die vragen om genoeg en soms meer gedetailleerde regels, niet meer om een positie te verwerven maar om deze die ze hebben te beveiligen. Daarmee botsen ze soms met hun eigen schepencollege dat net het tegendeel wil, nl. meer beleidsruimte om het cultuurbeleid meer naar eigen wens te ontwikkelen. De tendens volgt gelukkig dat laatste spoor. Langzaam krijgen centrumsteden meer ademruimte en dat is noodzakelijk.
Leuven wordt door de grote culturele spelers beschouwd als ’maar’ een centrumstad. Een typerend voorbeeld daarvan is het relatief korte pleisteren van het Vlaams Radio Orkest en Koor (VRO œ VRK) in Leuven. Het vond met stevige hulp van het stadsbestuur een repetitiestek in de stad, maar dat was voor het orkest geen reden om het lonken naar repetitie-en concertruimte in grotere stad te laten. Van zodra Flagey in Brussel gerestaureerd was, pakte het orkest in en verhuisde het, alle inspanningen van de stad Leuven ten spijt. De conclusie is dat de grote stad, en zeker Brussel, finaal toch een grotere aantrekkingskracht uitoefent en meer troeven op tafel kan leggen dan Leuven. Ter nuancering kan je stellen dat Leuven niet beschikt over een uitgeruste concertzaal voor symfonisch werk en daar ook geen plannen voor koesterde.
Eerst nog een beetje theorie. Zijn er specifieke kenmerken van het cultuurbeleid van centrumsteden? Ja, ik meen dat het beleid van deze steden op een dubbele wijze specifiek kan zijn: ze hebben gemeenschappelijke kenmerken die hen onderscheiden van grotere en kleinere lokaliteiten en tegelijk hebben ze onderling typische onderscheidende eigenschappen.
In elke stad is er een concentratie van kunstenaars, geld en publiek. En de centrumsteden hebben een aantal algemene culturele kenmerken, die we gemeenschappelijk kunnen noemen.
De grootstad is echter het echte centrum. De verhouding die de middelgrote stad er mee heeft, heeft drie kenmerken. Op de eerste plaats fungeert deze als ’toeleveringsbedrijf’ van artiesten, van cultuurwerkers en van publiek die hun artistiek credo slechts in het echte centrum kunnen realiseren, omdat daar van alles ’meer’ is. Dit veronderstelt een beweging terug: een spreiding van cultuur. Het volume van het aanbod zal kleiner zijn. Maar dit betekent geenszins dat er een artistieke reductie mag worden gemaakt, in de provincie moet dezelfde kwaliteit worden gebracht. Als derde element zijn er deze culturele kwaliteiten die specifiek en verschillend zijn voor elke stad en waarrond een profiel kan worden opgebouwd. Hiermee breekt een stad (en streek) uit een deterministisch provinciaals denken.
De zorg om een zo groot mogelijke bandbreedte aan cultuur lokt onderlinge versterking van de kunstuitingen en de kunstparticipatie uit. In elke middelgrote stad is dit multiplicatoreffect mogelijk. De verdichting van een breed en gevarieerd cultuuraanbod levert aanzienlijk meer rendement op dan een verdunnende spreiding. Dit betekent niet een centrumstad zich kan profileren als een (kleine) kwaliteitsstad tussen de metropolen.
Vanuit dit concept kunnen we niet anders dan stellen dat Leuven zo’n stad is, die kwaliteit als troef uitspeelt of kan uitspelen. Het is een stad met een behoorlijk grote densiteit aan culturele actoren, die daarenboven een stevige dosis ambitie hebben. Dat kunnen we afleiden uit het het ontwerp van cultuurbeleidsplan. Leuven is ten opzichte van de directe omgeving een centrum, de omgeving is de periferie. Leuven heeft voor het grootste deel van het cultureel aanbod een streekgerichte aantrekkingskracht. Het trekt publiek aan uit de directe omgeving. Maar Leuven is ten opzichte van de grootsteden œ ik bedoel Antwerpen, Brussel en Gent œ echter geen centrum, maar periferie. Publiek uit deze steden, maar evengoed uit gemeenten die verder afgelegen zijn, zal zich zich enkel verplaatsen naar Leuven omdat ze er bepaalde zaken vinden die ze niet in hun eigen stad gemeente niet vinden. Het gaat om unieke activiteiten of manifestaties van hoge kwaliteit.
De vergelijking met de universiteit ligt voor de hand. Ouders verwachten om de hoek een kleuterklas voor hun kinderen. Ze zijn dus niet bereid zich daarvoor ver te verplaatsen. Maar dat verwachten niet dat de universiteit om de hoek ligt, en gelet op de hoge waardering die mensen eraan toekennen, zijn ze ook bereid zich hiervoor ver te verplaatsen. Kijk naar Leuven, met studenten van heinde en ver. Heeft Leuven ook zo’n ’culturele’ kwaliteiten? Op het vlak van erfgoed of van de kunsten? En vooral, wil Leuven die uitbouwen? Door zelf te initiatieven nemen, maar ook door private actoren te ondersteunen. Die vraagstelling is ook geldig voor kunstenaars. Welke motieven kan een kunstenaar hebben om in Leuven te komen werken? Ondersteuning door een kunstencentrum, repetitiefaciliteiten, speelmogelijkheden, ... En vooral, welke buitengewone motieven kunnen er zijn, anders dan voor andere steden?
De vraag is of Leuven reële culturele merites heeft en een herkenbare positie? Of is Leuven de kleine stad met het grote Davidsfondsgehalte? Waarin verschilt Leuven van pakweg Brugge en Oostende? Is het culturele profiel er erg anders of integendeel zeer gelijkaardig? Is er een groter culturele aanbod, meer artistieke spelers, een betere zorg om het erfgoed? Omdat perceptie en werkelijkheid door elkaar lopen, is het gewaagd om op deze vraag te antwoorden. Vooruit dan maar. Leuven heeft een schitterend kunstencentrum. STUK is op het vlak van werking én infrastructuur top. Daar kom ik zelf wel eens. De gesubsidieerde theatergroepen toeren en die zie ik elders.
Om de zoveel jaar is er ook wel eens een kunsthistorische tentoonstelling Als het nieuwe museum straks klaar zal zijn, kom ik zeker kijken naar de openingstentoonstelling rond Vlaamse primitief Rogier van der Weyden. Leuven is voor mij ook Marktrock en de Abdij van Park. Leuven is voor mij ook een toonbeeld van goede zorg voor het erfgoed, van hedendaagse architectuur œ niet onomstreden œ en stedenbouw. Eeuwenoud en springlevend dus. Ik loop ook graag binnen in de schitterende bibliotheek en archief, Tweebronnen, maar die heeft wel een regionaal bereik. Net zoals de meeste andere actoren.
Is het profiel van Leuven buitengewoon en uniek? Het is interessanter dan de meeste andere centrumsteden, maar het kan op het vlak van het erfgoed de toets met Brugge niet doorstaan, al is er flink gewerkt. Ik zou eigenlijk ook durven stellen dat Kortrijk Leuven bijna bijgebeend heeft, op het vlak van de kunsten bedoel ik. Algemeen is er wellicht een verklaring te vinden in de nabijheid van Brussel en Mechelen. Zeker de kleine afstand tussen Brussel en Leuven is een factor die in het nadeel van Leuven speelt.
Het profiel is dus niet zo buitengewoon. Er zijn een paar spelers die boven het maaiveld komen, zoals STUK, en ik verwacht wel een en ander van M en van het Depot, maar dit valt nog af te wachten. Verder is er een zeer ruim pallet aan actoren die een regionaal bereik hebben. Zij bedienen de Leuvenaars en de buren op hun wenken. 30CC bijvoorbeeld draagt daar sterk toe bij.
Kortom, Leuven heeft in tegenstelling als befaamde universiteitsstad geen navenante culturele uitstraling. Het lijkt me dat de stad koos voor een cultuurbeleid in de breedte, niet in de diepte. Daar is de voorbije recente jaren verandering gekomen, deels op initiatief van private spelers zoals STUK, deels op initiatief van het stadsbestuur, cf. M van Museum, cf. ook de inspanningen op het vlak van hedendaagse architectuur en monumentenzorg.
Als we spreken over een stad en over Cultuur, is het belangrijk geen te enge definitie te maken van dit moeilijke begrip. Meestal wordt het niet gedefinieerd, maar wordt alles wat tot het voorwerp van het cultuurbeleid behoort, ertoe gerekend. In de meeste steden is dat een eerder beperkte omschrijving. Het gaat dan over de kunsten, het sociaal-cultureel werk en het roerend erfgoed (cf. musea). Vaak is de zorg voor het onroerend erfgoed al een verantwoordelijkheid voor een andere schepen, valt architectuur buiten de bevoegdheid en is kunst in de publieke ruimte al helemaal geen cultuurbeleid meer. Dat betreur ik. Wat bijvoorbeeld met de publieke ruimte, met leefstijlen? Vanuit Cultuur kan ook worden geappelleerd op de kwaliteit van die publieke ruimte: van het straatmeubilair, van parkjes, speelpleinen, bushaltes, bomen en bloemen enz. Zijn dat net geen aanknopingspunten voor centrumsteden?
Ik wil daarom een poging doen om het cultuurbegrip in stedelijk cultuurbeleid te verruimen. Je kan m.i. cultuurbeleid situeren op 3 niveaus: dat van de alledaagse cultuur, het brede cultureel werk en de kunsten en het erfgoed. De inspanningen voor de alledaagse cultuur en het sociaal-cultureel werk dragen bij tot de opbouw van sociaal kapitaal. Mensen kunnen vaardige en rechtvaardige burgers zijn, maar zijn daarom niet sociaal vaardig noch geïntegreerd. Auteurs als Robert Putnam of Pierre Bourdieu hebben vaak de noodzaak van de opbouw van sociaal kapitaal in een rechtvaardige en verdraagzame samenleving aangegeven.
De alledaagse cultuur is de nietœgeorganiseerde vorm van cultuur, de wijze waarop we ons dagelijks uiten en gedragen: hoe we eten, drinken, wonen, ons kleden, praten, religie beleven, spelen, omgangsvormen enz. Het is een set van gewoonten, gebruiken, rituelen en codes. Je merkt ze het beste op als ze verschillen van wat we gewoon zijn. De samenleving wordt steeds ”diverser‘, steeds meer gevarieerd. Niet alleen door de aanwezigheid van andere etnische culturen en minderheden, maar ook door een toenemende diversiteit in de leefstijlen van ”witte‘ mensen. Leefstijlen worden gevarieerd. Kan een stedelijk cultuurbeleid hier aan meewerken? Het cultuurbeleid kan expliciete aandacht besteden aan initiatieven die bijdragen tot het wegnemen van angst door ”bekendheid‘ te organiseren. Maak gewoonten, uitingen en rituelen van diverse bevolkingsgroepen en leefstijlen zichtbaar en verklaarbaar. Streef bewust naar ontmoeting en contact van buurtbewoners. Dit kan bijvoorbeeld door aandacht te besteden aan de inrichting van de publieke ruimte van wijken en buurten om vormen van ontmoeting mogelijk te maken tussen bewoners onderling. Dat kan via de aanleg van speelpleintjes of een speelstraat, gezamenlijke parkeerplaatsen, openbaar groen, zitbanken, bushaltes, aanleg van woonerven enz. Heel veel wijken en buurten zijn vandaag zo ingericht dat ze precies geen aanleiding geven tot interactie. Afgesloten tuinen, beveiligde opritten, naar binnen gekeerde toegangen, stratenprofielen waarin gelegenheid is tot contact, pleinen die niet uitgedacht zijn om te pleisteren maar om snel te dwarsen, lawaai, straten met een eenzijdige functie-invulling (zoals kantoren of louter winkelpanden) die na een bepaald uur doods zijn en onveiligheid oproepen … Dat alledaagse begint eigenlijk bij het stedenbouwkundig beleid, in het bijzonder bij buurt-en wijkinrichting.
De rol van het cultuurbeleid is dan wel beperkt tot het ”toezien‘ op de beleidsaanpak van andere sectoren zoals openbare werken, ruimtelijke ordening, onderwijs enz. Het is het documenteren en in kaart brengen van (processen van) alledaagse cultuur en interactie. Bij dat documenteren kunnen de wijk-en buurtbewoners zelf een actieve rol spelen als participant. Je kan ook stellen dat elke schepen in een lokaal bestuur ook een beetje schepen van Cultuur moet worden door bewust om te gaan met culturele processen in andere bevoegdheden. Hoe beperkt de rol van het lokaal cultuurbeleid ook lijkt te zijn, als het doortastend gebeurt, kan op het termijn ongetwijfeld positieve effecten hebben.
Het sociaal-cultureel werk (verenigingsleven in de brede betekenis) draagt dan weer bij tot gemeenschapsopbouw en œvorming, het versterken van de sociale cohesie en de uitwisseling en contact tussen burgers. De gemeenschapsvormende functie is belangrijk voor het tegengaan van vervreemding en isolering van mensen; de versterking en vernieuwing van het sociale weefsel. Het brede sociaal-cultureel werk draagt ook bij tot maatschappelijke activering, naar de vorming van verantwoordelijke en actieve burgers, naar leden die niet alleen deelnemers maar ook vormgevers zijn van maatschappelijk engagement en sociale actie. Het lokale bestuursniveau is de belangrijkste bron van ondersteuning van het zeer verscheiden verenigingsleven. Een stad kan nieuwe modellen lanceren, steun verlenen aan sociaal-artistieke projecten, een open subsidiepot maken voor laagdrempelige en originele initiatieven enz. Pak wijkproblemen aan met positieve en gemeenschapsgerichte activiteiten, dat zal vaak met Cultuur zijn.
Leuven moet een stad zijn met een cultureel profiel, of liever, mensen moeten bij de naam Leuven spontaan denken dat Leuven op het culturele vlak veel te bieden heeft. Is dat de uitdaging? Of moet die smaller zijn? Moet Leuven werken aan een afgebakend, een kenmerkend cultureel profiel, aan meer eigenheid? Of scherper gesteld, moet Leuven eigenlijk wel werken aan een dergelijk profiel?
Op de eerste vraag kunnen we ’ja, natuurlijk’ antwoorden. Maar dat vereist dan wel een aantal duidelijke keuzes en accenten in het beleid. Dat vereist een sterk sturend overheidsingrijpen. Is dat wel zo wenselijk? Mocht het al de bedoeling zijn, dan vereist dat wel een draagvlak in de lokale samenleving. Kiezen voor hedendaagse beeldende kunst bijvoorbeeld, louter hypothetisch, vereist investeringen in infrastructuur, in artistiek personeel zoals curatoren, in communicatie ... en dat wellicht ten koste van gelijkaardige inspanningen voor pakweg het erfgoed of de podiumkunsten. Alleen een grootstad kan excelleren in alle culturele / artistieke disciplines. Dat vereist een grote kritische massa. Als je rondkijkt in Vlaanderen zie je dat enkel Gent, Antwerpen en Brussel daaraan voldoen en inderdaad ook die breedte bezitten: van topmusea over hedendaagse dans tot beeldende kunst en literatuur. Welke van de andere centrumsteden heeft een uitdrukkelijk cultureel profiel, een herkenbare eigenheid op cultureel vlak? Welk cultureel imago zou Hasselt dan wel hebben, of Kortrijk, Mechelen of Oostende? Ik zou wel een brutale invulling kunnen maken: jenever, design, ik weet het niet en geen imago. Maar zo’n invulling werkt niet. Tenzij wie er een Brugs imago wil aan over houden? Brugge is internationaal bekend als historische stad, omwille van het schitterend patrimoniaal erfgoed, maar ook de kant, de chocolade en het bier .... en helaas niet œ nog niet? -als stad van levende cultuur. Imago’s zijn rare dingen.
Je kan je dus terecht afvragen of Leuven wel moet werken aan een kenmerkend cultureel profiel, en waarvoor dat nodig zou zijn ...Zou het niet nuttiger zijn te kiezen voor een beleid dat aansluit op wat opborrelt, op wat door kunstenaars, initiatiefnemers allerhande en organisaties wordt ontwikkeld? Bottom-up beleid dus. Dat betekent niet dat er geen keuzes moeten worden gemaakt, want zoals gesteld is in alles goed willen zijn, ook niet realistisch. Die keuzes moeten dus organisch groeien, aansluiten bij praktijken en evoluties in de stad, met de bedoeling die te versterken ... en sommige andere net niet. De overheid kan hier een aantal eigen keuzes naast zetten, zie bijvoorbeeld het museumbeleid en de keuze voor Tweebronnen.
Je kan dit vraagstuk ook van een andere hoek bekijken. Wie heeft baat bij zo’n profiel? Of liever, voor wie moet je dat wel doen? Bouw je aan een kwaliteitsvolle stad œ culturele stad -ten behoeve van de eigen inwoners of ten behoeve van de buitenwereld, en de wijze waarop die naar de stad kijken? De vraagt luidt eigenlijk als volgt: gaat het over uitstraling van een stad of over instraling?
Moet er meer concurrentie zijn tussen de steden? Levert dat een meerwaarde voor kunstenaars, of voor het publiek? Moet Leuven wel concurreren met Brussel of andere steden? Levert dat wel iets op? Zeker niet veel. Al is over het muurtje gluren vaak interessant, het is als drijfveer niet nuttig. Want dan staan noch de inwoners, noch de kunstenaars centraal in het cultuurbeleid, maar het imago in binnen-en buitenland. Dat is een te eenzijdige benadering. Concurrentie ga je maar aan in functie van uitstraling. En toch is het een dominante drijfveer.
Uit het vorige stukje kwam reeds naar voor dat ik eigenlijk niet pleit voor een kunstmatig opgebouwde culturele eigenheid. Vooraf zou ik nog willen stellen dat een cultuurbeleid in de eerste plaats dienstig moet zijn aan het culturele veld. Het moet gevoerd worden voor artiesten, voor het erfgoed, voor de culturele verenigingen, de amateurkunstenaars, dus voor het culturele leven zelf. Dat staat altijd voorop.
Mag ik pleiten voor een cultuurbeleid met twee overlappende lagen? Ik kies vooreerst voor een een beleid voor de Leuvenaars, dus voor ’instraling’ in plaats van ’uitstraling’. De eigen inwoners moeten daar de eerste genieters zijn. Dat mag breed gaan, zo breed mogelijk zelfs, in alle disciplines. Maar daar mag het uiteraard niet bij blijven, daarom kies ik ook voor een beleid voor al wie kijkt naar Leuven, er soms eens komt en terugkomt, dus voor de niet-Leuvenaars. Ik kies dus voor instraling en voor uitstraling tegelijk. Ik kies voor een evenwichtige aanpak waarin scherpe keuzes staan naast de aandacht voor al wat op het culturele veld ontstaat en evolueert. Het cultureel imago van Leuven is dus best gelaagd.
Het benoemen van zo’n imago kan en mag eigenlijk niet kunstmatig zijn. Het moet het resultaat zijn van werk aan de basis, het moet voor de hand liggen. Het moet groeien uit de realiteit van de stad. Welke zijn hiervoor de meest markante kenmerken? En kunnen ze dienstig zijn voor een doorgedreven culturele ontwikkeling? Ik denk dat het antwoord voor de hand ligt? Kunnen dat kenmerken zijn als ’meertaligheid’, ’kennis’, ’jong’ ... Leuven is een studentenstad, een stad waar steeds meer andere talen worden gesproken, ook aan de universiteit, stad van kennis en wetenschap? En ook een historische stad, waar veel uit te halen valt.
Een groot project met een gezamenlijke doelstelling is een krachtige motor voor een versnelde ontwikkeling. Zo’n project grijpt in op vele dimensies van stadsontwikkeling, niet alleen cultureel, maar ook stedenbouwkundig, op het vlak van erfgoed ... Als ik kijk naar de effecten van Antwerpen ’93, van Brugge 2002 œ waar ik zelf aan meewerkte œ of Lille 2004, dan twijfel ik niet ... En dus, je kan je de vraag stellen of Leuven de ambitie moet hebben om ook culturele hoofdstad van Europa te worden. De eerste keer dat Belgiê aan bod komt is 2015. Er zijn echter al verschillende kandidaten in Vlaanderen en Wallonië. Leuven ook nog? Ik laat het antwoord graag aan de Leuvenaars zelf.
Maar je mag er wel zeker van zijn: je zet daar Brussel een mooie neus mee. En was het daar niet een beetje om te doen?