INTERVIEW Marc Coolens:
woensdag 7 maart 2007, door david dessers
Marc Coolens: “Als we de historiek van onze VZW bekijken, moet je al vlug 20 jaar terug in de tijd gaan. Toen kwamen wij hier wonen op de Vesten en waren een aantal bewoners heel erg bekommerd om de kappingen van de bomen, vooral op de Tiensevest. Op die manier ontstond er hier dus een comité. Aanvankelijk ging ik daar een kijkje nemen als geïnteresseerde bewoner. Na een tijdje maakte ik de verslagen en al vlug leidde ik mee die vergaderingen. Op die manier kwamen we dan in contact met de uiteenlopende buurtcomités uit het Leuvense. Die hadden eigenlijk allemaal dezelfde klacht: ze werden niet gehoord. We spreken nog over de tijd van burgemeester Vansina. Meer informatie en inspraak zou voortaan bij al onze acties een basisbegrip worden. Om dit te bereiken werd een koepelorganisatie van buurtcomités opgericht die ervoor moest zorgen dat er meer rekening zou worden gehouden met de Leuvense burger. Zo ontstond Leuven Verkeerd/t . We werkten uiteraard rond verkeer in Leuven, maar ook rond het verkeren, het wonen. We vertrokken eigenlijk vanuit drie invalshoeken: huisvesting, ruimtelijk ordening en verkeersbeleid. Tijdens de jaren dat die organisatie het beste draaide, waren er toch een tiental buurtcomités bij aangesloten, waaronder als voornaamste dragers buurtcomité ‘Het Lampeke’ in de Ridderstraat en de buurt van “Den Bruul” en ‘De straatmus’, in de Mussenstraat en de “Mussenbuurt””
Wat waren jullie belangrijkste activiteiten en aandachtspunten?
Marc Coolens: “We gaven het blad, De Drempel uit, waarin we probeerden om onze zeg te doen over alle belangrijke projecten van de stad. Wat verkeer betreft, wilden we vooral het langzame verkeer bevorderen en het autoverkeer inperken. Op het vlak van stedenbouw waren we vooral bekommerd om de kansen voor sociaal zwakkere groepen in onze stad. Wat groenbeleid betreft, wilden we zoveel mogelijk de natuur een plaats geven in de stad. Toen al waren er plannen voor de uitbreiding van het Termunkveld, de wetenschapsparken van de universiteit en het industrieterrein van Haasrode. Daar probeerden we dan kritische artikels rond te schrijven. Dat lukte eigenlijk behoorlijk goed. We beschikten zelfs over een deeltijdse werkkracht. Maar toen Louis Tobback in 1994 de verkiezingen won, bleken de zaken heel wat moeilijker te liggen, gezien de buurtwerkingen eerder socialistisch gericht waren. Dat gold zeker voor ‘De straatmus’. Over Vansina mocht werkelijk alles geschreven worden, maar kritiek op Tobback kon dan weer niet. Ook vanuit ‘Het Lampeke’ had men het moeilijk met de gevoerde toon. Men bleef zeker en vast kritisch, maar vond dat onze organisatie eerder voorstellen over de toekomst van Leuven moest ventileren dan wel rechtstreeks kritiek mocht leveren op beleidsvoerders. Men wilde liever niet dat we man en paard bleven noemen. De slotsom was dat de officieel gesubsideerde buurtcomités ’t Lampeke en De Straatmus zich terugtrokken en hierdoor raakte de werking van Leuven Verkeerd/t wel wat verlamd. De andere buurtcomités draaiden tijdelijk rond heel concrete buurtproblemen. Het was en is niet evident voor hen om te investeren in een overkoepeling en zich vervolgens echt bezig te houden met problemen die niet meteen van toepassing zijn op hun eigen buurt. Dat alles maakt dat onze organisatie vandaag op een veel lager pitje draait. Het blad ‘De Drempel’ verscheen uiteindelijk tien volle jaargangen, vier keer per jaar op 16 pagina’s. Maar we hebben de uitgave in 2005 toch moeten stopzetten, gezien al het werk op veel te weinig schouders terecht kwam. Altijd nachtwerk, met heel vaak moelijk opzoekingswerk bij de stad, waar men nooit echt wilde meewerken.”
Toen jullie van start gingen, was één van de prioriteiten het verkeersarm maken van de stad. Inmiddels hebben we twaalf jaar bestuur onder Louis Tobback achter de rug. Tijdens die periode werd er toch een aanzet gegeven tot een verkeersarm stadscentrum.
Marc Coolens: “Toevallig liep ik twee maanden geleden als gids samen met enkele Nederlandse schepenen door de binnenstad van Leuven. Eigenlijk konden ze hun ogen niet geloven. Voor hen was het echt vreemd dat de auto’s in Leuven nog steeds zo diep in de stad kunnen geraken, dat het fietsverkeer nog altijd zo stiefmoederlijk behandeld wordt, dat de voetpaden nog altijd zo smal zijn… En het moet gezegd, als je die situatie gaat vergelijken met voornamelijk steden uit Noord Europa, maar ook meer en meer met Duitse, Franse en Italiaanse steden, stel je vast dat er in Vlaanderen en dus ook in Leuven nog heel veel werk aan de winkel is. Het trieste bestaat erin dat het Leuvens stadsbestuur van zichzelf vindt dat het een heel progressief beleid voert op dat vlak, terwijl het in feite is blijven steken in de vorige eeuw.”
Vind jij dan dat er helemaal niets ten goede veranderde?
Marc Coolens: “Dat kan je natuurlijk niet zeggen. Het zou ook maar erg zijn, mocht er helemaal géén evolutie zijn, mochten er helemaal geen fietsstallingen zijn, mochten er geen fietsvoorzieningen bestaan… Maar als je dat vergelijkt met andere Europese steden, dat blijft het huilen met de pet op in Leuven. Zolang je geen burgemeester hebt, die af en toe eens zelf de fiets neemt, krijg je ook geen beleid op maat van langzame weggebruikers. De woonomgeving van de stadsbewoner ligt er ook belabberd bij. Het aantal straten in Leuven waar men tijdens twaalf jaar SP.A- CD&V beleid een woonerf van gemaakt heeft, kan je op één hand tellen. In de meeste straten in de binnenstad blijft de auto dominant. En dat terwijl in de meeste van die straten de voetgangers midden op de weg lopen, met alle risico’s van dien. Zo krijg je dan situaties waarbij een voetganger in de Vlamingenstraat wordt doodgereden en waar de politie in het PV als reden optekent: “voetganger liep op het wegdek”. Dat is tekenend voor het beleid. Als je dan eens gaat kijken naar de voetpaden in de Vlamingenstraat, dan stel je vast dat die gewoon veel te smal zijn om al die voetgangers de baas te kunnen. Dit is misschien een extreem voorbeeld, maar het is wel symptomatisch voor het beleid. Waarom kiest onze stad niet voor straten op maat van voetgangers en fietsers? Waarom stelt ons stadsbestuur niet heel duidelijk dat de auto op de tweede plaats komt? In bijna alle straten in de Leuvense binnenstad komt de auto op de eerste plaats. Dat is gewoon niet meer van deze tijd. Het stadsbestuur is ook als de dood om van de ganse binnenstad een zone 30 te maken. Waarom is de woonbuurt van meneer Tobback, waar er veel minder verkeer is, wél zone 30 en mogen de auto’s in de binnenstad nog steeds 50 km per uur rijden? Dat toont dat het beleid we in Leuven nog steeds in de autologica van de jaren 70 denkt.”
Wat zou jij daaraan veranderen?
Marc Coolens: “Maak van de woonstraten in je stad een zone 30 en je zal een veel leukere stad krijgen om in te wonen, maar ook om in te winkelen. Verander op termijn ook de infrastructuur van deze straten. Helaas gaat al te veel aandacht in Leuven naar een handvol winkelstraten rond de Sint-Pieterskerk en prestigeprojecten. Een voorbeeld van zo’n overbodig prestigeproject is de ondertunneling van de Parkpoort. Dat project kost handenvol geld terwijl iedere Leuvenaar makkelijk kan vaststellen dat er daar nu net geen groot verkeersprobleem bestaat. Je kan natuurlijk alles ondertunnelen, maar het is duidelijk dat deze ondertunneling in de eerste plaats de kers op de taart van de Philipssite vormt. Het hoort er gewoon bij. En dat terwijl we 200 meter verder een écht problematisch kruispunt kennen, namelijk de Naamsepoort. Als je dan toch geld vrijmaakt om zo’n kruispunt aan te pakken, waarom dan niet de Naamsepoort ? Daar zijn er wél verkeersproblemen en bestaat er een echt fileprobleem. Overigens valt op dat de twee coalitiepartners daar al een zeer verschillende visie op hebben. CD&V pakte in zijn verkiezingsfolder uit met een foto van een tunnel onder de Naamsepoort, terwijl de SP.A daar in alle toonaarden over zweeg. Vast staat dat er in Leuven een aantal échte zwarte punten bestaan, die een veel sneller een oplossing zouden moeten krijgen dan de Parkpoort.”
In de aanloop van de gemeenteraadsverkiezingen publiceerde Leuven Verkeerd/t enkele advertenties rond het beleid in Leuven. Daarbij richtten jullie je pijlen voornamelijk op enkele grote bouwprojecten…
Marc Coolens: “We kunnen zeker niet kan ontkennen, dat de stad inspanningen doet om sociale woningen te bouwen. Leuven zit trouwens min of meer op het percentage sociale woningen dat er van deze stad verwacht wordt, terwijl heel wat omliggende gemeenten daar helemaal niet aan geraken. Ze schuiven in feite de bal door naar Leuven. Wat is dan het probleem? Bij de projecten, die aan bod kwamen in die artikelenreeks, liep het steeds opnieuw spaak op het vlak van de inspraak van de bewoners van die buurten..Neem het voorbeeld van het project rond het Conscienceplein. Dat is totaal verkeerd gelopen doordat het plan op bijna onverklaarbare wijze klaar was nog voor men met de bewoners is gaan spreken. Ook bij het project in Vlierbeek, de herinrichting van het gemeenteplein van Heverlee, de appartementenbouw tegen het speelplein in de Arthur De Greefstraat bots je steeds op dezelfde problemen.”
Jullie beweren eigenlijk dat dergelijke projecten onmogelijk gemaakt worden net door het gebrek aan inspraak?
Marc Coolens: “Ja, inderdaad. In het geval van het Conscienceplein, zag de betrokken schepen, Jaak Brepoels, die zelf in die buurt woont, dat het plan onder het enorme protest van de buurt niet haalbaar was. Hij besloot om het plan te laten aanpassen aan de noden van de buurt. Rond dat nieuwe plan werd dan een buurtvergadering georganiseerd, waarop een communicatiebureau de zaken uiteenzette. De buurt keurde dat plan uiteindelijk goed. Toch spanden een aantal kapitaalkrachtige bewoners daarna een zaak in tegen de stad, omdat een beschermd stadszicht zou geschaad worden. Bleek dat de stad daar niet helemaal in orde was. Op die manier raakte het hele project opnieuw geblokkeerd. Misschien wel jammer, maar toen ik telefoneerde naar die mensen bleek dat ze zich toch in de eerste plaats miskend voelden door de stad. Ze vonden het optreden van het stadsbestuur zo arrogant dat ze via die gerechtelijke procedure in de eerste plaats wilden duidelijk maken dat ze er ook waren en dat er niet met hun voeten kon gespeeld worden. Als de stad daar een beetje tactvol met zijn bewoners was omgesprongen, had dit allemaal vermeden kunnen worden.”
Hoe verklaar jij eigenlijk die houding van de stad?
Marc Coolens: “Ik heb ooit burgerdienst gedaan bij de voorloper van de VZW Langzaam Verkeer, toen nog in Kessel-Lo. Tijdens die periode verdiepte ik me wat in allerhande lectuur over inspraak, zoals die in de praktijk werd gebracht in bijvoorbeeld Nederland. Daaruit bleek op de eerste plaats dat je voor inspraak een budget én tijd moet vrijmaken. Misschien ontbreekt het in Leuven net aan die twee zaken. Men wil er misschien de tijd niet voor nemen, omdat die projecten op die manier nog meer tijd zullen in beslag nemen. Bovendien steekt men het geld liever in andere dingen. En dan kom je dus al snel uit bij hele klassieke vormen van inspraak; de stad werkt een volledig plan uit en organiseert vervolgens een hoorzitting. Hoe verlopen die hoorvergaderingen meestal? Vooraan in de zaal zit de schepen, samen met enkele vertegenwoordigers van de stad, architecten, ingenieurs enz. Het publiek zit in de zaal en luistert naar de vertegenwoordigers van de stad die over een micro en een eventuele powerpointpresentatie beschikken om hun betoog kracht bij te zetten. De aanwezigen daarentegen beschikken meestal niet over de nodige informatie om het debat echt te kunnen aangaan. Vaak beginnen ze pas achteraf verder na te denken over wat ze die avond allemaal gehoord hebben. In Vlierbeek was de situatie zo dat de inwoners van een aantal nieuw gebouwde woningen de garantie hadden gekregen van de intercommunale Interleuven dat er in de open ruimte achter hun huizen gelijkaardige woningen zouden gebouwd worden. Maar plots beslisten Tobback en Brepoels dat er daar toch een flatgebouw zou komen. Interrleuven moest het maar aan de bewoners verkopen. En dat wordt dan terecht niet gepikt door die inwoners. Ze stapten naar de Raad van State en kregen gelijk. Brepoels en Tobback vielen, door de mand als de ware verantwoordelijken.
Wat is volgens jou de balans van twaalf jaar SP.A-CD&V-coalitie op het vlak van groen in en rond de stad?
Marc Coolens: “Daar valt vooral op dat de grotere spelers in de stad, de universiteit, Inbev, de Boerenbond of de NMBS eigenlijk alles voor elkaar krijgen. Tien jaar geleden begon men heel sterk te denken aan de reconversie van oude industrieterreinen. Maar vandaag wordt bijvoorbeeld het wetenschapspark Arenberg uitgebreid langs de Boudewijnlaan, met splinternieuwe gebouwen in het groen. Indien de stad tien jaar geleden meer druk had uitgeoefend, had men die wetenschapsparken perfect kunnen vestigen op oudere terreinen. Ik heb die vraag trouwens ooit gesteld aan Tobback, toen hij nog niet zo lang burgemeester was. Hij stelde toen dat hij aan de universiteit de Philipssite had aangeboden maar dat die dat van de hand had gewezen. Hij wou geen weerwerk bieden. Het stadsbestuur is in Leuven altijd als de dood om arbeidsplaatsen te verliezen. Men wil kost wat kost de drie grote bedrijven, Inbev, KBC (de boerenbondlobby) en de universiteit in de stad houden en elke vestiging buiten de grenzen van de stad wordt gezien als een nederlaag. Er speelt een bijna middeleeuwse concurrentie tussen steden. En dus als de universiteit de Philipssite afwijst en gewoon een mooie nieuwe campus in het groen eist, dan gaat men daar vlot op in. Een argument van de universiteit is dat die spin-offs dicht bij de andere gebouwen moeten liggen. Maar is in het tijdperk van de nieuwe technologie de Philipssite dan veraf? In het hedendaagse stedenbouwkundige denken wordt nochtans algemeen aangenomen dat je als je beschikt over oude industriële terreinen, je die best eerst invult alvorens nieuwe open ruimten aan te boren. Maar helaas, Arenberg is reeds uitgebreid en iedereen verwacht hetzelfde voor Termunkveld. Het lijkt dus onomkeerbaar in Leuven. Kijk bijvoorbeeld ook de naar realisatie van de nieuwbouw aan het station. Marcel Smets, de huidige Vlaamse bouwmeester, had in het oorspronkelijke ontwerp vijf torens uitgetekend, waardoor je vanaf de Martelarenlaan door de torens heen toch nog een zicht zou hebben op de stad. KBC zag dat echter niet zitten en binnen de kortste keren wordt dan het reeds goedgekeurde Plan van Aanleg aangepast. Enkel om KBC ter wille te zijn. Je ziet die invloed in het gebruik van de open ruimten, maar ook de vormgeving zelf. Ik heb zes jaar lang in de gemeentelijke commissie voor advies gezeteld, waarbij bezwaarschriften kunnen ingediend worden. Ik herinner me niet dat ook maar één enkele keer een bezwaarschrift van een particulier aanvaard werd, of dat er rekening mee werd gehouden. De enige bezwaarschriften waar men wél rekening mee hield, waren die van de universiteit, KBC, Inbev of de spoorwegen.”
Ondanks alle deze kritieken kwam de coalitie versterkt uit de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2006. Niet iedereen deelt jullie kritieken…
Marc Coolens: “Tja. Als het volk van het oude Rome brood en spelen kreeg van de keizer, dan steunde het die keizer. Bovendien kan je er ook niet omheen dat er nauwelijks een alternatief bestaat. Was een coalitie van CD&V en VLD beter geweest voor deze stad? Daarop antwoord ik volmondig “neen”. Maar zou een SP.A-CD&V-coalitie met ander personeel én een andere burgemeester niet tien maal beter werk hebben kunnen verrichten? Daarop is mijn antwoord dan weer “ja”. Uiteraard moeten we niet alles negatief bekijken. Maar uit elk groot project van de stad viel meer te halen. Neem bijvoorbeeld de Philipssite. Burgemeester Vansina slaagde er niet in om die site aan te kopen en men vreesde dat ze in handen zou vallen van een projectontwikkelaar. Tobback is er met zijn nationale ervaring op zak in geslaagd om die site wél aan te kopen voor relatief weinig geld. Dat is zeker positief. Mocht de site in handen van een projectontwikkelaar zijn, dan zou je nooit een gefragmenteerd project hebben gekregen. Vandaag heb je er tenminste een homùogeen geheel een stuk park en enkele gemeenschapsdiensten. Maar op architecturaal vlak kan je er wel heel wat vragen bij stellen. Men had er iets toonaangevends van kunnen maken voor België, terwijl er vandaag evenveel mislukkingen staan als mooie projecten.De eigenlijke Philipstoren is het mooiste gebouw dat er staat. De Sportoase is eveneens vrij interessant als gebouw. Maar het postgebouw en het politiekantoor vormen een architecturale mislukking. Het gebouw van Ubizen daarnaast, zit er een beetje tussenin. Had men hogere kwaliteitseisen gesteld, dan had je een betere architectuur gekregen. En dat was nochtans net waar men in Leuven wilde op scoren. Nu goed, eigenlijk is dat logisch gezien het beleid in Leuven te zeer door één man gestuurd wordt. En als het dan misloopt tussen de stad en de bewoners is dé grote afwezige steeds opnieuw Louis Tobback. De schepenen mogen dan de kastanjes uit het vuur halen.”
Leuven heeft een andere burgemeester nodig?
Marc Coolens: “ja, absoluut. Ik besef dat weinigen het met mij eens zullen zijn, maar ik vind van wel. Natuurlijk als je Vansina vergelijkt met Tobback dan komt die eerste er duidelijk slechter uit. Maar daar plaats ik toch één kanttekening bij. In de Belgische politiek is het zo dat als je nooit in Brussel hebt gezeten, nooit op het nationale niveau hebt meegedraaid, je ook geen kredieten loskrijgt voor je stad. Dat werpt toch een beetje een ander licht op de zaak. Voor de verkiezingen las ik een interview met Johan Vande Lanotte. Hoewel hij geen mandaat bekleedt in Oostende, stelde hij duidelijk dat hij, telkens er geld te verdelen was voor steden, ervoor zorgde dat Oostende een aanvraag indiende en zijn deel van de koek kreeg. Als je niet over zo een figuur beschikt, kan je het dus als stad vergeten. Daarbij komt ook dat je niet eeuwig kan beoordeeld worden op basis van een vergelijking met je voorganger. Het klopt dus dat Louis Tobback een boel middelen heeft weten aan te trekken voor de stad, maar dat betekent niet dat hij al die middelen ook goed besteedt of dat de stad ook goed bestuurd wordt.