"Belgische elite sprong in 1831-1914 pragmatisch om met persvrijheid" (KUL-studie)
De Belgische grondwet van 1831 bevatte verregaande waarborgen voor de persvrijheid die ons land in de 19e eeuw de reputatie gaf een vrijhaven te zijn voor de politieke pers. In de praktijk paste de toenmalige Belgische elite deze regels echter pragmatisch en strategisch toe van zodra haar machtspositie aangevallen werd. Dat stelt de Leuvense jurist Bram Delbecke in het doctoraat dat hij zopas met succes verdedigde.
De grondwet voorzag bijzondere waarborgen voor de persvrijheid zoals een verbod op preventieve overheidsmaatregelen, een getrapte verantwoordelijkheid om de private censuur van drukkers te beperken en de garantie dat persmisdrijven door een volksjury behandeld moesten worden. Uit Delbecke's onderzoek blijkt echter dat bij vervolgingen van persmisdrijven in de 19e eeuw zeer tendentieus te werk gegaan werd en grotendeels publicaties van uitdagers van de Belgische liberale staat geviseerd werden zoals orangisten die de aansluiting bij Nederland bepleiten of actoren aan de linkerzijde.
Mettertijd werden de vermelde grondwettelijke waarborgen ook uitgehold of omzeild. Omdat de juryprocedure ongewenste ruchtbaarheid aan de vervolgde mening gaf en de uitkomst van een dergelijke vonnis onvoorspelbaar was, werd het begrip persmisdrijf restrictiever omschreven. Op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheidsregels werd de burgerlijke rechter bevoegd om een schadevergoeding op te leggen. Door grootschalige toepassing van de mogelijkheid van beslagrecht in het gerechtelijk onderzoek werd ook het verbod op preventieve maatregelen omzeild. Ook uitgevers of drukkers die alle verantwoordelijkheid wensten op te nemen konden worden gestraft.


